U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.
 
Hoe zijn de bewegende beelden ontstaan.

 

Eadweard Muybridge (1830-1904)

Na de uitvinding van de fotografie, werd deze onder andere gebruikt om te onderzoeken hoe een paard galoppeert. De onderzoeker Eadweard Muybridge kreeg de opdracht van Leland Stanford, oud-gouverneur van Californië. Deze oud gouverneur wilde weten of een galopperend paard met alle vier de voeten van de grond komt (niemand kon daar toen een antwoord opgeven).
Hij plaatste in 1878 een rij van 12 camera's langs een recht stuk van de paardenrenbaan. De afdrukknoppen (toen meestal hendeltjes) werden met zeer dunnen draden over de renbaan  gespannen. Het over de renbaan galopperend paard, genaamd Sallie Gardner  brak één voor één de draden, waardoor er een op één volgende reeks foto's werd gemaakt. Eadweard maakte als eerste gebruik van camera's met snelle sluiters. Hiermee voorkwam hij bewegingsonscherpte, wat het onderzoek ten goede kwam. Door deze opnamen in de juiste volgorde afzonderlijk te bestuderen kreeg de onderzoeker inzicht in het galopperen van het betreffende paard.

Bij afwezigheid van de chef, draaide de medewerkers deze fotoseries als filmpjes af, waardoor het beeld leek te bewegen. Hiermee was het principe van de film geboren. Met deze wetenschap gingen meerdere uitvinders aan de slag, met vele variaties tot gevolg.

 

 
Hierond
er het paard Sallie in actie.

Hier naast kun je het resultaat zien van wat de medewerkers van Eadweard met de afzonderlijke opnamen deden. De allereerste film was geboren, gemaakt met fotocamera's. Aan u te beoordelen of het paard inderdaad met vier voeten van de grond komt.







 


 

 

John Ayrton Paris (1785-1856)

De allereerste grondlegging voor het bewegend beeld, werd gedaan door John Ayrton Paris. Deze natuurkundige heeft ontdekt, dat de beelden die het oog ontvangt iets naijlen (Verdere uitleg hierover, zie "Hoe kunnen wij bewegende filmbeelden zien"). Om dit te demonstreren had hij in het jaar 1824 een ronde kartonnen schijf aan beide zijden voorzien van een tekening. Op de voorzijde tekende hij een opspringende hond, op de achterzijde een stel wegvliegende vogels. Aan de rand tegen over elkaar bevestigde hij een stukje touw. Door de kartonnen schijf met de touwtjes tussen duim en wijsvinger strak te trekken, en snel rond te draaien, zie je de hond en de vogels in één beeld. Hierdoor lijkt het of de hond de vogels weg jaagt. Dit speeltje, noemde hij "Thaumatroop" vertaald betekend het, thauma = wonder, trope = draaiing. Zie de afbeeldingen hieronder. Deze thaumatropen met diverse afbeeldingen, waarbij "Het vogeltje en de kooi" één van de bekendste was, werden tot in de jaren 60 door kinderen gemaakt.

 


Hieronder een paar voorbeelden van deze Thaumatropen.


   Thaumatroop 1824          Thaumatroop 1825   Thaumatroop als hanger        Demonstratie van de thaumatroop




Joseph Antoine Ferdinand Plateau (1801-1883)

Joseph is natuur- en wiskundige. Hij heeft diverse wetenschappelijke studies in Luik (België) gevolgd. Ook is hij mede ontdekker van de naijlende werking van het licht in het oog. De uitvinding van de 'Fenakistiscoop' wat in Grieks 'vals beeld' betekend, is aan hem toe te schrijven, en functioneert mede door dit naijl effect van 1/3 seconde.



 



De fenakistiscoop moest je voor een spiegel  
ronddraaien, als je dan door de spleten keek,
dan zag je het paar dansend ronddraaien,      
zoals in het filmpje hieronder te zien is.        


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Een variant op boven genoemde fenakistiscoop is de zoöscoop
ontwikkeld 1833. Het principe is gelijk aan de fenakistiscoop, alleen
heeft Joseph Plateau in plaats van een schijf, een trommel gebruikt.
Hierdoor is de spiegel niet meer nodig. Zie afbeelding hiernaast.




 

 

 

 

 

 

 

 

 

Thomas Alva Edison (1847-1931)    

Ook Edison heeft zich met het fenomeen bewegende beelden bezig  gehouden. Aanvankelijk baseerde hij zijn ontwikkeling van de  filmprojector op basis van zijn eerder uitgevonden fonograaf, het cilindermodel (zie foto rechts). Deze weg naar bewegende beelden liep op niets uit. Een werkend model werd uiteindelijk gebouwd door Edisons assistent W.K.L. Dickson, en werd de Kinetoscoop genoemd. Hij bestelde bij George Eastman (Oprichter van het bedrijf Eastman Kodak en de uitvinder van de fotorolstroken) 35mm film, met aan beide zijden 4 vierkante gaten per beeldje. Na belichting en ontwikkeling werden deze filmstroken in de door hem ontwikkelde Kinetoscopen gebruikt. Deze stonden vaak in cafés. Door er een muntje in te werpen kreeg je 20sec bewegende beelden op 35mm eindloze film te zien. Nadeel van dit apparaat was, dat er maar één persoon tegelijk kon kijken.


Kinetoscoop

 

 

 

 

 

 

 

Zo werden vroeger de eerste voorstellingen gegeven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Wat je te zien kreeg, waren geen echte speelfilms. Voorbij lopende of fietsende mensen, ook een voorbij razende trein was een geliefd onderwerp. Het publiek nam daar in eerste instantie genoegen mee, als er maar beweging te zien was. Al snel kwamen de wat pikantere filmpjes in de apparaten. Deze kinetoscopen stonden meestal in de achterkamertjes van de cafés, en konden voor een aangepast tarief bekeken worden.

 

Auguste (1862) en Louis (1864) Lumière

De Gebroeders Lumière (hun vader had een bedrijf in fotoapparatuur) worden wel beschouwd als grondleggers van de cinematografie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Cinematographe Projection (Camera en projector in één)

Met hun projectieapparaat de 'cinematographe' konden zij als eerste in de wereld filmbeelden vertonen voor een groot publiek. De allereerste voorstelling was op 22-maart-1895. De eerste betaalde voorstelling van de gebroeders was op 28-december-1896. De voorstellingen liepen de hele dag door, en het bezoekers aantal liep wel op tot 4000 toeschouwers per dag. Dit was dus een commercieel succes, ook al zagen de gebroeders Lumière er aanvankelijk niets in. (Zelden heeft een uitvinder er zo ver naast gezeten.)
Ook de gebroeders Lumière gebruikten de 35mm film, maar met dit verschil dat hun perforatie er anders uitzag dan dat van George Eastman, dat Edison gebruikte (zie afbeelding rechts)
.

 

 


De Cinematographe in bedrijf


 

Ook deze eerste films waren kort, en bestonden hoofdzakelijk uit veel bewegende motieven zonder echt verhaal.
Het hierboven getoonde apparaat was een drie in één uitvoering. Je kon er films mee opnemen, ontwikkelen en projecteren. Later werd dit om praktische reden gescheiden. Afzonderlijke apparaten kunnen beter voor hun eigenlijke doel aangepast worden.

Het 35mm filmformaat van George Eastman werd uiteindelijk het standaard formaat. Dit werd ook wel het Edison- formaat genoemd, omdat dit type film voor het eerst gebruikt werd in de kinetoscopen.
Maar voordat het zover was, zijn er veel uitvinders geweest, die met allerlei bijzondere filmformaten de markt trachten te veroveren. Een mooi voorbeeld hiervan is de Amerikaanse spirograph uit 1913 (zie afbeelding). Waarschijnlijk is de bedenker ervan geïnspireerd door de populaire grammofoonplaat. De schijf is vervaardigd van celluloid, en bevat 1200 filmbeeldjes in spiraal vorm gerangschikt.
 Dit resulteerde in twee minuten projectie tijd. De initiatiefnemers van dit systeem hadden het vooruitzicht hier complete bibliotheken mee op te zetten. Of deze er ook gekomen zijn is niet bekent, maar omdat dit systeem al snel economisch schipbreuk leed, is dit vrij onwaarschijnlijk.

Een ander bedrijf, The Aladdin Cine Products Co. (from the Pictures Development Co., Toledo, Ohio, USA), zag er blijkbaar nog brood in, want jaren later produceerden ze soortelijke celluloid schijven. Hierop stond alles wat bewoog uit de directe omgeving.


Ook dit systeem is een vroege dood gestorven. Nadelen waren de complexe apparaten voor opnemen en projecteren. Een ander probleem is, dat de opgenomen volgorde van de scènes niet gewijzigd kon worden, zoals
bij een filmband, door middel van knippen en plakken.

Interessant is, dat de opname- en projectie-apparatuur door het korte bestaan ervan zo zeldzaam is, dat een werkend model met bij behorende schijven ooit op een veiling voor €25000 verkocht is. Dus economisch onverantwoord om in mijn verzameling op te nemen, als ik er al aan zou komen.

Wie zich wat meer wil verdiepen in de diversiteit van de filmformaten, is de website 'Honderd jaar filmformaten' wel interessant (http://wichm.home.xs4all.nl/filmform.html).

 

                         ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
 
 

Principe werking van de filmcamera

Zoals deze animatie laat zien, dekt de draaiende vlinder op het moment van filmtransport het beeld in de camera af. De vlinder in de filmcamera heeft nog een functie, hij zorgt ook voor de belichting van de film op het moment dat deze stilstaat. Die belichtingstijd is weer afhankelijk van het toerental en de vorm van de vlinder, dat weer bepaald wordt door de opname snelheid, te weten het aantal beeldjes per seconden, standaard 16, 18 en 24. De hoeveelheid licht dat op de film moet vallen voor een goede belichting, wordt weer geregeld door het diafragma. Bij moderne camera's gaat dit automatisch, of half automatisch,  bij oudere types handmatig met behulp van een belichtingstabel, meestal op de zijkant van het toestel bevestigd. De duurste modellen hadden nog een mogelijkheid om de belichting te regelen "de verstelbare vlinder". Met dit type toestel kon men middels een hendel aan de zijkant van de camera de opening in de vlinder vergroten of verkleinen, waarmee de belichtingstijd bij gelijkblijvende beeldsnelheid geregeld werd. Hiermee had je meer vrijheid in de belichtingstijd diafragma verhouding. De fotografen onder ons zullen ongetwijfeld weten wat hier de voordelen van zijn.

Na de uitvinding van de 'cinematographe' ging de technische ontwikkeling van de apparatuur erg snel. De films begonnen ook steeds meer regie te krijgen, ook de trucage mogelijkheden werden al snel ontdekt, onder anderen het 'stop motion', wat betekend dat de vast opgestelde camera stopt, de acteur uitbeeld loopt, en de camera draait daarna weer door. Hiermee realiseer je het Tita Tovenaar effect.



Een 35mm projector rond 1900 van de Gebroeders Skladanovsky.

Opvallend detail is, dat de vlinder als een propeller voor de lens draait. Later bevond deze zich om wille van de veiligheid achter de lens in  de projector of in een behuizing voor de projectielens. De functie van de vlinder is het afdekken van de projectielens op het moment van de beeld wisseling, dit is noodzakelijk om een redelijk flikkervrije vertoning te verkrijgen. Bij later gebouwde projectoren draait de vlinder 3x sneller dan de beeldwisseling. Hiermee bereikte men een nog rustiger en stabieler projectbeeld.




 

New York                    

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hiernaast nog een plaatje, dat laat zien welke riskante

toeren sommige cameramannen toen al uithaalden

voor een indrukwekkende opname.

 

 

Het materiaal van de film:

In het begin werden er in de filmprojectoren en camera's naaimachine onderdelen gebruikt. Deze leenden zich hier bij uitstek voor, mede omdat de repeterende bewegingen, nodig voor het filmtransport identiek waren aan het stoftransport in de naaimachine. Ook werd het Maltezerkruismechanisme toegepast, om een intermitterende werking te krijgen, meer hierover in het hoofdstuk over de 9,5mm projectoren van Pathé. De ontwikkeling van de film is begonnen met het formaat 35mm, aan beide zijden geperforeerd voor het filmtransport. In het begin werd deze film gemaakt van nitrocellulose de zogenaamde nitraatfilm. Het was een zeer brandbaar, en explosie gevoelig materiaal. Bij temperaturen boven de 40°C kon deze nitraatfilm spontaan ontbranden, en dan te bedenken dat de bioscoopprojectoren in het begin gaslampen hadden als lichtbron. Je kunt je wel voorstellen, dat het beroep van 'bioscoop operator' toentertijd niet geheel zonder risico was.  Het duurde dan ook niet lang of de projectoren werden zeer zwaar, en explosie veilig uitgevoerd, zie onderstaande afbeelding. Op de foto is duidelijk te zien, dat in deze bioscoop een brand heeft gewoed. Je ziet dat de projector er door zijn robuuste bouw er vrijwel ongeschonden uit is gekomen.

Dit film materiaal is tot 1951 in de bioscopen gebruikt. Daarna werd het verboden, en vervangen door het celluloid of te wel cellulose-acetaatDeze filmdrager heeft een brandvertragende werking, en werd ook wel safety film genoemd. Voor de amateur filmer was dit materiaal al eerder beschikbaar.


 

 

 

 

 


In 1923 kwam het 16mm formaat op de markt, gemaakt van het ontbrandbare cellulose-acetaat (celluloid), ook wel safety-film genoemd. Dit film materiaal is wel geschikt voor de amateur-cineast. Met dit formaat konden ook kleinere en lichtere camera's worden gebouwd. Hiermee gingen de welgestelde zich aan het filmen wagen.
Eind jaren 20 werd de 16mm film opnieuw gehalveerd, en zo ontstond het overbekende 8mm smalfilmen. Dit was mogelijk door een sterk verbeterde kwaliteit van de lenzen. Het smalfilmen werd hiermee voor een groter publiek toegankelijk gemaakt, en dat is weer goed voor economie.



 

In november 1922 kwam er een bijzonder filmformaat bij,

de 9,5mm film, met de perforatie in het midden.

Ontwikkeld door Pathé.

 

 

 

 

 

 

 

 

Met dit formaat bereikte Pathé een groter beeldoppervlak, wat de projectie kwaliteit ten goede kwam. Dit type film is door Pathé geïntroduceerd als 'De thuis bioscoop'.  In het 'thuis bioscoop pakket' zat uiteraard een filmprojector, daarbij een scherm met bijbehorende 9,5mm filmcassettes. Deze filmcassettes bevatte tot 9,5mm verkleinde kopieën van bekende 35mm bioscoop films, wat een scherp en stabiel beeld opleverde. Deze cassettes kon men toentertijd kopen of huren, de voorloper van de videotheek.
Een jaar later werd ook een kleine hand aangedreven filmcamera op de markt gebracht, zodat de gebruikers ook zelf opnamen konden maken. Hierin werden eveneens metalen filmcassettes gebruikt, maar dan van een ander type, zie foto verderop.

 

 

Een set van camera en projector

De uitvoering van de eerste projectoren en camera's was eenvoudig en goedkoop. Ze kregen de naam Pathé-Baby mee. Deze apparaten waren dan ook hand aangedreven. Later werden er motor aangedreven modellen uitgebracht, Ook was het mogelijk om bestaande projectoren en camera's met een motormodule uit te rusten, zoals op de afbeelding hiernaast op de camera is te zien.



 

 

 

 




Het bijzondere aan dez
projector is, dat het intermitterende filmtransport niet door een film- grijper geschied, maar door het Maltezerkruismechanisme op de onderste sprocketwiel. (zie animatie rechts)


Het hierboven beschreven mechanisme is ook

duidelijk in de afbeelding van deze projector

te zien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 




9,5mm filmcassette voor de projector.                                            9,5mmfilmcassette voor de camera.


Hiermee kwam het filmen voor veel mensen binnen handbereik. Dat heeft gewerkt, er zijn over de 300.000 projectoren en camera's gebouwd en verkocht. Tot op de dag van vandaag is er nog steeds een kleine groep fanatiekelingen die met 9,5mm blijven filmen.

Een reclame affiche uit die tijd.

Toch waren er ook veel mensen die huiverig stonden tegenover de perforatie in het midden van de film. Hun angst was, dat de grijper van het transportmechanisme de film zou kunnen beschadigen, en dat dit stuk dan niet meer bruikbaar was. Maar ook bij de films waarvan de perforatie aan de zijkant zit, is het stuk met de beschadigde perforatie onbruikbaar, en moet er tussen uit geknipt worden.  Maar dat snapten de mensen toen niet. De meesten hielden zich aan de 8mm film. Hierdoor is het 9,5mm filmformaat, ondanks zijn voordelen niet massaal doorgebroken.














De 8mm film met de perforatie aan de zijkant werd uiteindelijk het standaard amateurfilmformaat.
Deze 8mm film werd toen vaak dubbel8 film genoemd. Dat komt omdat de nog niet belichte film eigenlijk  van het 16mm formaat was. De onbelichte dubbel8 film werd toen geleverd als 16mm film op spoeltjes van 7,5m.
Hier links onder een spoel met een onbelichte dubbel8 film. Na de ene kant belicht te hebben, moest je film omdraaien, en opnieuw in de camera leggen, daarna kon je de andere helft belichten. Heel belangrijk was, dat je goed onthield hoeveel keer je de film omgedraaid had, dit stond ook met de cijfers 1 en 2 aangegeven op de opwikkelspoel. Deed je dat één keer te veel, dan werd de eerste helft nogmaals belicht, wat dan dubbelbeeld opleverde. Ik heb dit zelf wel eens in mijn eigen familie meegemaakt, en ik denk  dat dit nogal eens met vakantiefilms is gebeurd. Agfa heeft dit systeem eind jaren 30 willen vervangen door metalen cassettes met voorgesneden 8mm film. Een echte doorbraak was dit toen niet, mede omdat deze cassettes toen nogal prijzig waren. De grote doorbraak kwam met de invoering van de super8 film, welke in kunststof cassettes zat, zie afbeelding rechts onder.


 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

Na belichting werden deze spoeltjes opgestuurd naar de ontwikkelcentrale, waar de film met het omkeer procedé (hierover later) ontwikkeld werd, en daarna over de gehele lengte gesplitst. De twee verkregen helften van 7,5m werden aan elkaar gelast tot één film van 15m, vervolgens opnieuw opgespoeld en teruggestuurd. De projectie tijd van een dergelijke filmpje is ongeveer 3 minuten.








De meest gangbare filmformaten naast elkaar.

Van links naar rechts: 16mm - 9,5mm - 8mm en super8. Deze laatste film zat verpakt in handige cassettes, die snel in de filmcamera geplaatst konden worden. Door de kleinere perforatie werd het beeld oppervlak groter, wat resulteerde in een scherper beeld. Super8 bracht het filmen binnen bereik van de massa. (en hiermee verdween de smalfilm na ongeveer 15jaar van het toneel). De 35mm film (het bioscoop formaat) is nog lang blijven bestaan, maar wordt nu steeds meer verdrongen door digitale super beamers.

       

 

 

 

Van het allereerste begin tot op heden is film gebaseerd op het in de juiste volgorde snel  wisselen van beelden. Film is dus eigenlijk niets anders dan een lange rij foto's, die met een snelheid van 16 tot 24 beelden per seconden achter elkaar geprojecteerd worden.
Het belichten van de film in de camera, is gebaseerd op het reeds bekende fotografisch proces. Na de eerste opname kreeg men vroeger een negatief zwart-wit film, deze was uiteraard ongeschikt voor vertoning. Om een positief beeld te krijgen moest je toen een tweede film belichten met het origineel. Dit deden ze door de films op elkaar te leggen, en dan te belichten (contact belichting). Later kreeg men de techniek onder de knie om een opgenomen film direct in positief beeld (in de fotografie de dia genoemd) te ontwikkelen. Dit proces noemde men het omkeerproces, de film die hiervoor gebruikt werd, kreeg de naam 'omkeerfilm'. Dit was tevens de doorbraak voor de consument, omdat met dit omkeerproces de kosten van het ontwikkelen, en het verbruikte filmmateriaal gehalveerd werd.



Opbouw van een dia projector


Het principe van deze projector is gelijk aan dat van een filmprojector, alleen eenvoudiger.



Cromatic Aberration

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


In bovenstaande afbeelding is duidelijk te zien wat bedoeld wordt met Cromatic Aberration. De kleuren in het witte licht, dat door de lens valt, worden niet allemaal even sterk gebroken, dit is het prisma effect. Hierdoor vallen de lichtstralen niet exact door één punt, het brandpunt (waar het beeld gevormd wordt). De blauwe- de groene-, en de rode-brandpunten komen niet bij elkaar in één punt, wat resulteert in een iets onscherp projectiebeeld. Om het projectiebeeld scherper te maken, wordt achter de bolle lens een tweede holle lens
geplaatst. Deze zorgt ervoor, dat de blauwe-, de groene-, en de rode lichtstralen nagenoeg weer in één punt samen komen, zie onderstaande afbeelding 'Correctie Chromatic Aberration'. In de praktijk, zoals in de doorsnede van de projector te zien is, wordt achter de holle lens nog een bolle lens geplaatst, dit om het projectiescherm niet al te ver van de projector te moeten opstellen.

Correctie Cromatic Aberration

 


Hoe kunnen wij bewegende filmbeelden zien:
Het netvlies van ons oog zet het daarop geprojecteerde beeld om in elektrische zenuwprikkels. Deze zenuwprikkels worden via zenuwbanen naar het achterste deel van de hersenen getransporteerd. In dit deel van de hersenschors worden de signalen afkomstig van beide ogen verwerkt, en geïnterpreteerd tot wat wij als zien ervaren.
Het netvlies neemt de frequentie van de geprojecteerde filmbeelden waar, maar in het transport door de 1,8 miljoen zenuwbanen naar de hersenschors vindt er een kleine vertraging plaats, waardoor het beeld 1/3 sec naijlt. Door dit naijl effect zien we de projectie als één vloeiend bewegend beeld. Hadden onze oogzenuwen  deze eigenschap niet, dan waren er geen bioscopen, en was tv kijken onmogelijk, wat over bleef was toneel.

Doorsnede tekeningen van het oog




Mijn verzameling beslaat de periode van 1930 tot begin jaren 60, en dan alleen het bekende dubbel8, en het 9,5mm filmformaat. Waarom, omdat ik een deel van deze periode zelf heb meegemaakt, en het is voor mij niet mogelijk om de hele collectie van begin 1800 tot de laatste camera te herbergen, als ik het al bij elkaar zou krijgen.

Tot slot nog een leuke anekdote, over het begin van de bioscoop exploitatie.
In die tijd waren de filmprojectoren niet krachtig genoeg voor grote bioscoopzalen, zoals we die nu kennen. Om nu toch 2x zoveel bezoekers te kunnen herbergen hadden de exploitanten er het volgende op gevonden. Ze plaatsten een licht doorlatend mat scherm in het midden van de zaal. De bezoekers aan andere kant van het scherm zagen de film dus in spiegelbeeld. Dit was op zich geen probleem, alleen de tekst op de tekstbordjes in de film stonden ook in spiegelbeeld. Het publiek aan goede kant van het scherm hielp mee door deze teksten (voor hun dus wel leesbaar) in koor hard op te lezen, zodat de mensen aan andere kant van het scherm de film ook goed konden volgen.


Bronvermelding:
www.wikipedia.nl/geschiedenis van de film
www.mediavormgevers.net
www.supersens.nl
http://www.natuurlijkzien.com/anatomie-oog.html
http://wichm.home.xs4all.nl/filmform.html